Knopen in de spoorstad Vlaanderen: onderzoek naar het potentieel voor nieuwbouwontwikkelingen in Vlaamse stationsomgevingen

Ward Struyf

Master
Stedenbouw
en ruimtelijke planning
2025 — 2026

onderzoek

promotoren
Tom Coppens
Maarten Van Acker

Knopen in de spoorstad Vlaanderen: onderzoek naar het potentieel voor nieuwbouwontwikkelingen in Vlaamse stationsomgevingen

 

Waar in Vlaanderen is er ruimte voor ontwikkeling om aan de toekomstige woningnood te voldoen zonder de ruimte verder te versnipperen? Deze masterproef ontwikkelt via een casestudie van Vlaamse stationsomgevingen een methode om geschikte projectzones te selecteren volgens de principes van Transit Oriented Development. Een GIS-analyse identificeert ruimte voor 135.000 nieuwbouwwoningen, geconcentreerd langs de belangrijkste spoorlijnen. Tussen de grote steden ontstaan lijnsteden; daarbuiten vormen de sterkste kernen parels van ontwikkeling.

Vlaanderen is een dichtbevolkte regio met verspreide bebouwing. Door een verwachte bevolkingsgroei van 10% en een dalende gemiddelde gezinsgrootte ontstaat tegen 2050 een woningnood van 450.000 woningen. Om verdere ruimtelijke versnippering tegen te gaan, worden nieuwe woningen best ontwikkeld op goed bereikbare plekken nabij voorzieningen. Transit Oriented Development (TOD) biedt hiervoor een sturend principe: rond knooppunten voor openbaar vervoer wordt gestreefd naar een voetgangersvriendelijke omgeving met hoge dichtheid en functieverweving. De onderzoeksvraag luidt: via welke methode kunnen projectzones voor nieuwbouwwoningen die voldoen aan de TOD-principes worden geselecteerd in Vlaamse stationsomgevingen en waar zijn deze gelegen?

Er wordt een methode ontwikkeld via een casestudie over Vlaamse stationsomgevingen. Eerst worden de uitgangspunten vastgelegd: het Vlaams Register Onbebouwde Percelen dient als basisbestand, Vlaanderen wordt opgedeeld in zones met een verschillende ontwikkelingsdichtheid en het streefdoel wordt op 135.000 woningen vastgelegd. De GIS-analyse past eerst de harde randvoorwaarden toe: gebieden met hoge natuurwaarde of overstromingsrisico worden uitgesloten. Vervolgens worden zachte randvoorwaarden verwerkt via scores voor knooppuntwaarde en voorzieningenniveau. Deze resulteren in bouwstenen die worden samengevoegd tot alternatieven. Voor elk alternatief wordt berekend hoeveel woningen ontwikkeld kunnen worden.

Twee alternatieven benaderen het streefdoel. Na een sensitiviteitsanalyse en detailonderzoek van enkele stationsomgevingen bleken er 5% tot 9% minder woningen realiseerbaar dan origineel berekend, waardoor één voorkeursalternatief overblijft. Het Vlaamse kerngebied heeft het meeste ruimte voor ontwikkeling. Hier ontstaan lijnsteden langs de belangrijkste spoorlijnen. Buiten dit kerngebied vormen de grootste kernen parels van ontwikkeling langs de spoorlijnen. Kleinere stationsomgevingen vallen af wegens een lagere knooppuntwaarde en voorzieningenniveau.

 

Contact

Ward Struyf
wardstruyf@gmail.com 

CL1R1SZ